Compost scheppen in de buitenlucht werkt therapeutisch

Door: Alexandra Klein

De wind raast over de weilanden als ik op zaterdag de Tuinen van West binnen fiets. Grote, donkere wolken pakken zich samen boven uitgestrekte, groene velden. MijnStadstuin ligt er op het eerste gezicht verlaten bij. Als je er in een auto langs zou razen, zou je niet denken dat er honderdacht tuintjes van ruim tweehonderd Amsterdammers schuilgaan achter het toegangshek. Ik parkeer mijn fiets tegenover een container. Verderop zie ik mensen compost in kruiwagens scheppen. Anderen manoeuvreren de volle kruiwagens door de modder naar een ander gedeelte van het terrein. Een lange jongen met modderige kaplaarzen en verwaaid, blond haar komt op mij af. Het is Rob (28), de coördinator van het Serve The City evenement. Hij vertelt mij dat iedereen net gaat lunchen.

Even later sta ik onder het afdakje van de container mijn kaasbroodje naar binnen te werken. Het is ondertussen begonnen met stortregenen. De meeste vrijwilligers zijn goed voorbereid: ze hebben kaplaarzen en regenkleding aan. Ik heb een gesprek met een vrijwilliger van MijnStadstuin zelf. Terwijl hij zijn capuchon over zijn hoofd trekt, vertelt hij dat het zijn eerste dag is hier. Hij werkt doordeweeks in de zorg als consultant, maar haalt veel voldoening uit praktisch werk. Jarenlang heeft hij als hovenier bijgeklust. Bij MijnStadstuin kan hij helpen met het verbouwen van groenten. Ons gesprek wordt onderbroken door Peter (een Serve The City vrijwilliger) die ons een zelfgemaakte samosa aanbiedt. Een beetje verdwaasd door het genereuze aanbod neem ik er één van hem aan. Hij is heerlijk. Tegen het eind van de pauze kijk ik om mij heen en vraag mij lichtelijk bezorgd af of ze een toilet hebben. Ik zie in de verste verte niets wat erop lijkt. Ik vraag het aan Friso, een andere vrijwilliger van MijnStadstuin. “Ja, die hebben we hoor”, zegt hij en hij wijst naar een houten schuurtje aan de rand van het veld. “We hebben een toilet voor zitten en staan”, voegt Friso eraan toe. “Ze zijn genderneutraal.”

Als ik terugkom, is iedereen alweer in touw. Friso heeft me uitgelegd dat er vandaag vijf nieuwe tuintjes aan het geheel worden toegevoegd. Op dit moment zijn alle tuintjes namelijk verhuurd. Er is veel vraag naar en in corona tijd gebruiken mensen het tuinieren zelfs als work-out nu de sportscholen gesloten zijn. De taak van de vrijwilligers: het modderige stuk grond bedekken met een dikke laag compost. Met hooivorken wordt de compost in kruiwagens geschept. De kruiwagens worden vervolgens naar het nieuwe stuk grond gebracht en over smalle planken naar de juiste plek gereden. Zonder die planken zak je enkeldiep weg in de modder en ben je voor je het weet je kaplaars kwijt. Op de juiste plek aangekomen wordt de kruiwagen omgekieperd en wordt de compost met een hark gelijkmatig over het land verdeeld. Volgens Rob “niet het meest inspirerende werk”, vandaar dat er genoeg gerouleerd moet worden tussen de taken zodat het voor iedereen een beetje leuk blijft.

Maar wat is nou het doel van al die tuintjes? Dat weet Sem (28 jaar en de baas van MijnStadstuin) mij haarfijn uit te leggen. Elk tuintje is vijftig vierkante meter en kan gehuurd worden door een particulier. Diegene verbouwt dan zelf groenten op dat stukje land. Als je weinig ervaring hebt met tuinieren of weinig tijd hebt: geen probleem, daar zijn de tuinbutlers (zoals Friso) voor. Zij hebben groene vingers en helpen de huurders tegen betaling met het kweken van hun groenten. Er zijn zelfs bedrijven die hun groenten bij MijnStadstuin kweken. Zij hebben grote kassen op het terrein geplaatst, zodat er veel in één keer verbouwd kan worden.

“Het voedselsysteem is kapot. Hier proberen wij aan oplossingen te werken voor de bestaande problemen”, vertelt Sem. Volgens hem zijn die problemen namelijk heel oplosbaar. Sem komt oorspronkelijk uit de culturele sector, maar gaandeweg heeft hij steeds meer interesse gekregen voor de voedselindustrie of beter gezegd: voor het verbeteren van de voedselindustrie. Die omslag kwam een paar jaar geleden toen hij zijn eigen cateringbedrijf had en zich afvroeg waar al dat eten eigenlijk vandaan kwam. Nu heeft hij sinds twee jaar de leiding bij MijnStadstuin. “Ik hoop dat de mensen die hier moestuinieren lokaler gaan eten en voedsel eten dat bij het seizoen past. Dus: geen blauwe bessen in de winter, want die zijn dan niet in Nederland gekweekt. Die moeten hier helemaal naartoe gevlogen worden vanuit een ander land. Hopelijk snappen ze door de ervaring hier hoeveel tijd het kost om iets te laten groeien en hebben ze daardoor meer respect voor eten. Mensen gooien dan ook minder snel eten weg.” Sem pleit daarom voor een zo kort mogelijke voedselketen. “Zo’n korte voedselketen heeft veel voordelen: er is minder emissie, want er zijn minder vervoersbewegingen, en je steunt lokale boeren door lokaal voedsel te kopen. Bovendien weet je zeker dat je waar krijgt voor je geld. In Nederland stellen we namelijk hoge eisen aan ons voedsel, aan de voedselproductie en aan de impact die dat alles heeft op het milieu. Je weet niet altijd hoe andere landen daarmee omgaan.”

Terwijl ik met Sem heen en weer loop tussen de composthoop en de toekomstige tuintjes (hij staat erop door te werken terwijl hij wordt geïnterviewd), komt er één van de tuinders op ons af. Of wij weten waar zijn kruiwagen is gebleven. Het blijkt Paul te zijn: de enige met een tuintje bij MijnStadstuin én een certificaat voor het produceren van biologisch voedsel. Voordat je eten ‘biologisch’ mag noemen moet er namelijk aan allemaal voorwaarden zijn voldaan en heb je een keurmerk nodig. De rest van de tuinders mogen hun voedsel dus niet biologisch noemen. Daarom is alleen maar biologisch eten volgens Sem niet zaligmakend. Het voedsel kan immers best op een milieuvriendelijke wijze zijn geproduceerd, maar alsnog niet biologisch zijn. Wat is volgens hem dan wel zaligmakend? “Als iedereen wat actiever bezig zou zijn met waar zijn eten vandaan komt.” Betekent dat dan dat iedereen een eigen moestuin moet hebben? “Nee, het zou al goed zijn als ze hun groenten en fruit zouden kopen bij een lokale boer.” Vegetariër is Sem niet, want in zijn ideale voedselsysteem spelen dieren wel een rol. “Ik eet weinig vlees en het vlees dat ik eet, eet ik van mensen die ik ken.’’ En nee, daarbij doelt hij niet op kannibalisme, maar op mensen die dieren houden en zelf slachten.

Johanna (26 jaar, vrijwilliger bij Serve The City en afkomstig uit Duitsland) is wel degelijk vegetariër. Daarnaast doet ze nog veel meer om duurzaam te leven: ze koopt haar voedsel lokaal, probeert over het algemeen weinig te consumeren, koopt veel spullen tweedehands, pakt vaak de fiets en reist anders met het openbaar vervoer. Johanna heeft al vaker vrijwilligerswerk gedaan voor STC en vindt het vooral belangrijk om iets actiefs te doen waarbij ze met mensen in aanraking komt. Toevallig kende ze MijnStadstuin al nadat ze producten afkomstig van de organisatie had gekocht bij de biologische winkel ‘Fruittuin van West’. Toen ze op de website van STC zag dat er daar een vrijwilligersevenement werd georganiseerd, heeft ze zich meteen aangemeld. “Door hier een moestuin te hebben, kunnen mensen die in de stad wonen ook bijdragen aan een duurzamere toekomst. Je hoeft niet op het platteland te wonen om iets te kunnen betekenen op dat gebied.”

Verderop stort Richard (20 jaar, vrijwilliger bij STC en afkomstig uit de Caribbean) op rap tempo de kruiwagens vol compost. “Je kunt de kruiwagen het best onder de composthoop zetten en dan een soort van lawine veroorzaken door met de hooivork de bovenkant van de composthoop los te maken. Het valt dan vanzelf in de kruiwagen”, legt hij mij uit. Richard heeft al veel ervaring met vrijwilligerswerk waarbij duurzaamheid centraal staat. Zo heeft hij in de Caribbean meegeholpen met het opruimen van de stranden. Hij houdt er erg van om buiten te zijn, want dan voelt hij zich verbonden met de natuur. Voordat corona toesloeg, ging hij vaak met de trein naar uithoeken van Nederland om daar wandelingen te maken. Nu dat niet meer kan, is hij dankbaar voor dit soort vrijwilligerswerk in de buitenlucht.

Terwijl ik over het terrein rondloop om vrijwilligers te interviewen, vraagt Sem of ik ook nog mee ga helpen. Vertwijfeld kijk ik van mijn brandschone sneakers naar de modderige composthoop. “We hebben kaplaarzen voor je hoor”, zegt hij. Even later kom ik met mijn geleende kaplaarzen de container uit. Ik word meteen aan het werk gezet door Rob. Naast coördinator bij STC, werkt hij als consultant bij de Rabobank. Hij begeleidt daar nieuwe medewerkers en zorgt ervoor dat ze een goede start hebben. Rob vindt het belangrijk om betekenisvol werk te verrichten. “Als consultant kan mijn werk soms erg theoretisch zijn. Ik vind het tof dat we op een dag als vandaag direct heel veel mooie dingen kunnen doen.” Hij merkt dat de mensen die zich aanmelden voor de vrijwilligersprojecten heel inspirerend en positief zijn. “De mensen die ik tegenkom op deze projecten zijn een stuk dienstbaarder dan de gemiddelde Nederlander. Heel veel mensen leven voor zichzelf en kijken naar wat ze zelf kunnen krijgen. Hier wordt meer gekeken naar wat men kan geven.” Rob vertelt hoe bewust hij zich ervan is dat hij veel geluk heeft gehad: een fijne jeugd, stabiele thuissituatie en veel kansen op het gebied van opleiding. Daardoor voelt hij zich verplicht iets terug te geven. Maar zijn dienstbaarheid komt ook voort uit een eigenschap die hij altijd al had. “In groep drie schreef de juf op mijn rapport dat ik een groot rechtvaardigheidsgevoel had. Ik hielp bijvoorbeeld kinderen die gepest werden.”

Al pratend met de vrijwilligers laveer ik mijn kruiwagen over smalle planken en probeer ik hem op de juiste plek om te kieperen. Ik kom meerdere keren vast te zitten met mijn laars in de modder en mijn broek wordt met de minuut zwarter. Wel begin ik steeds beter te begrijpen wat al die vrijwilligers hieruit halen: de sfeer is gemoedelijk, iedereen is open en sympathiek en het fysieke werk in de buitenlucht geeft je een voldaan gevoel. Op deze manier voelt compost scheppen bijna therapeutisch. Al snel loop ik fluitend rond en schep ik compost alsof ik nooit iets anders gedaan heb. Aan het eind van de dag drinkt iedereen nog een biertje met elkaar in de container. Terwijl we proosten, voel ik mij moe, maar ook heel tevreden. De volgende keer kom ik weer!

 

 

 

 

By continuing to use the site, you agree to the use of cookies. more information

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close